Blog Koninkrijksbelangen | De Gouverneur – de top van de goksector

De grote verdwijntruuk: Hoe Curaçao’s goksector 30 jaar verdween achter ministers, mandaten, geheime adviezen, toezichthouders, juridische ficties en gerechtelijke en academische dwaalsporen, terwijl de wet steeds naar hetzelfde instituut wijst: de Gouverneur

Gouverneur – en voormalige President van het Gemeenschappelijk Hof – mr. Mauritsz J. de Kort is exclusief bevoegd en verantwoordelijk voor het verlenen en intrekken van online LBH-gokvergunningen onder de LBH en transitie artikel 15 lid 1 LOK-gokvergunningen.

WILLEMSTAD – Na 8 jaar informatieprocedures naar gokvergunningen zonder resultaat: Goksector Curacao – wie is verantwoordelijk en wie is bevoegd? Er is iets wonderlijks aan de Curaçaose online goksector. Vraag wie toezicht houdt, en men wijst naar de Gaming Control Board (GCB). Of nu de Curacao Gaming Authority (CGA). Vraag wie vergunningen verleent, en men wijst naar de minister van Financiën of de GCB of de GCA. Vraag waarom die minister bevoegd is, en men wijst naar een mandaat en een ondermandaat. Vraag namens wie die minister handelde, en ineens verschijnt degene die al die tijd buiten beeld moest blijven: de Gouverneur.

Dat is geen politieke slogan. Het staat inmiddels letterlijk in de rechtspraak.

In september 2024 behandelde het Gerecht een geschil over (ex) vergunninghouder Cyberluck N.V. (1668/JAZ) . De procespartij aan overheidszijde werd door het Gerecht omschreven als: de Gaming Control Board, “als gemandateerde van de minister van Financiën optredende als gemandateerde van de Gouverneur”.

Lees dat nog een keer.

GCB → minister van Financiën → Gouverneur.

Drie lagen bestuur. Eén oorsprong.

En precies daar begint het probleem.

De wet was eigenlijk niet ingewikkeld

De Landsverordening buitengaatse hazardspelen uit 1993 wees voor de centrale bevoegdheden niet de minister aan, niet de Raad van Ministers en niet een toezichthouder.

  • Artikel 1 wees de Gouverneur aan voor vergunningverlening.
  • Artikel 3 lid 2 wees de Gouverneur aan voor de jaarlijkse rechten.
  • Artikel 4 wees de Gouverneur aan voor tijdelijke en definitieve intrekking.

Geen concurrerende bevoegdheidsdrager. Geen “of de minister”. Geen “of namens de regering”.

Dat was bovendien geen toevallige woordkeuze.

Bij de voorbereiding van de wet had de Raad van Advies juist gevraagd dat wettelijk zou worden vastgelegd welk orgaan de vergunning verleende. De wetgever gaf antwoord:

de Gouverneur.

En daarna nogmaals:

de Gouverneur.

En daarna nogmaals:

de Gouverneur.

Ook de eerste vergunningen waren niet dubbelzinnig.

Op de aller eerste uitgegeven online gokvergunning van T.I.S.S. N.V. uit 1996 stond:

DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN HEEFT BESLOTEN

De bekende vergunningbesluiten van Cyberluck, Antillephone en Millionaire’s Club bevatten dezelfde formulering. De interne besluitvorming maakte bovendien onderscheid tussen voorbereiding, advisering, ministeriële behandeling en de uiteindelijke vaststelling door de Gouverneur.

Dat onderscheid is essentieel.

Een ambtenaar kan voorbereiden.

Een minister kan politiek verantwoordelijk zijn.

Een toezichthouder kan controleren.

Een mandaathouder kan namens iemand anders handelen.

Maar geen van die begrippen beantwoordt de voorafgaande vraag:

aan wie heeft de wet de bevoegdheid gegeven?

Totdat de Gouverneur zelf in de rechtszaal verschijnt

Op 4 december 2024 gebeurde iets opvallends.

De vertegenwoordiger van de Gouverneur had vooraf laten weten dat hij de Gouverneur slechts als Koninkrijksorgaanvertegenwoordigde.

De rechter vroeg vervolgens ongeveer het enige logische wat je dan kunt vragen: hoe valt dat te rijmen met een landsverordening die een bevoegdheid rechtstreeks aan de Gouverneur attribueert?

De rechter formuleerde het scherp:

“Maar in de wet staat ook bevoegdheid aan de gouverneur geattribueerd. Dus hoe ziet u dat dan?”

Toen het antwoord van de Rijksvertegenwoordiger opnieuw uitkwam bij ministeriële verantwoordelijkheid, antwoordde de rechter:

“Dat zijn twee verschillende dingen.”

Inderdaad.

Verantwoordelijkheid voor een bevoegdheid is niet hetzelfde als bezit van die bevoegdheid.

De ministeriële verantwoordelijkheid verklaart waarom een minister politiek verantwoording draagt.

Zij verandert niet vanzelf de tekst van een landsverordening.

Een contraseign verandert evenmin degene aan wie de wet de bevoegdheid heeft toegekend.

En mandaat al helemaal niet. Mandaat betekent per definitie dat iemand namens een ander handelt.

Dat laatste maakt de stukken uit 2019 zo interessant. De minister van Financiën kreeg daarin mandaat om de LBH-bevoegdheden uit te oefenen “namens de Gouverneur”.

Als de bevoegdheid altijd uitsluitend van “de regering” was geweest, is een simpele vraag moeilijk te vermijden:

waarom handelde de minister dan namens de Gouverneur?

De grote verdwijntruc

Toch is precies daar in de rechtspraak een institutioneel verdwijntrucje ontstaan.

De wet zegt: Gouverneur.

De uitvoeringspraktijk zei: Gouverneur.

De vergunningbesluiten zeiden: Gouverneur heeft besloten.

De mandaatbesluiten zeiden: namens de Gouverneur.

Maar de rechtspraak zegt uiteindelijk: “de regering.”

Het Hof heeft die constructie in 2026 expliciet gemaakt. Omdat de Gouverneur deel uitmaakt van de regering, omdat ministers politiek verantwoordelijk zijn en omdat landsbesluiten contraseign vereisen, moet een wettelijke attributie aan de Gouverneur volgens het Hof worden begrepen als attributie aan de regering.

Dat is een enorme stap.

Want de oude Staatsregeling zei niet dat Gouverneur en regering synoniemen waren.

Zij zei dat de regering werd gevormd door de Gouverneur én de Raad van Ministers.

Artikel 12 Staatsregeling Nederlandse Antillen zei bovendien afzonderlijk:

“De Gouverneur heeft de uitvoerende macht.”

De Gouverneur was dus onderdeel van de regering.

Maar een onderdeel van iets is niet automatisch hetzelfde als het geheel.

Dat is geen revolutionaire rechtswetenschap.

Dat is grammatica.

De prijs van “lees: regering”

En toen werd het opeens een academisch debat.

(P.J.D. Jacobs: De Gouverneur als bestuursorgaan in de zin van de Lar? Noot bij GEA Curaçao 15 januari 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:8)

Want zodra “Gouverneur” wordt vervangen door “regering”, ontstaat een bestuurlijk doolhof.

Dat doolhof zie je terug in de informatieprocedures.

De Gouverneur zegt: de originele dossiers gaan terug naar de verantwoordelijke minister.

Tegelijk werd ter zitting erkend dat van door de Gouverneur ondertekende besluiten scans worden gemaakt en gearchiveerd.

Maar die scans zouden slechts “voor intern gebruik” zijn en niet werkelijk onder de Gouverneur berusten.

De consequentie is bijna Kafkaësk.

De wet wijst de Gouverneur aan.

De Gouverneur ondertekent.

Het Kabinet maakt een scan.

De originelen gaan naar een minister.

Een mandaathouder handelt namens de Gouverneur.

Een ondergemandateerde neemt het feitelijke besluit.

Maar wanneer een journalist vervolgens in een informatieverzoek vraagt: laat mij het authentieke besluit zien, blijkt al 8 jaar niemand aanspreekbaar.

Het LOB/EVRM-dossier beschrijft precies dat probleem: jarenlang werden verzoeken tussen bestuursorganen heen en weer geschoven, terwijl onduidelijk bleef waar de oorspronkelijke besluiten lagen en welk orgaan voor openbaarmaking verantwoordelijk was.

Dat is niet slechts slechte administratie.

Dat is een probleem van democratische controle.

Dit is wat ik met institutionele corruptie bedoel

“Corruptie” wordt vaak onmiddellijk verstaan als steekpenningen, enveloppen en persoonlijke verrijking.

Dat is hier niet mijn punt.

Ik gebruik het begrip institutionele corruptie letterlijker: het corrumperen van de werking van een instituut.

Een publiekrechtelijk systeem raakt institutioneel gecorrumpeerd wanneer bevoegdheid, verantwoordelijkheid, archief, toezicht en rechtsbescherming zo uit elkaar worden getrokken dat uiteindelijk niemand meer effectief controleerbaar is.

Dat is precies het risico dat hier zichtbaar wordt.

De Gouverneur is bevoegd wanneer de vergunning juridische legitimiteit nodig heeft.

De minister is verantwoordelijk wanneer politieke verantwoordelijkheid ter sprake komt.

De GCB is uitvoerder wanneer besluiten genomen moeten worden.

Maar wanneer de bronbesluiten moeten worden getoond, de bevoegdheidsketen moet worden gecontroleerd of publiekrechtelijke verantwoordelijkheid moet worden afgedwongen, verschuift het antwoord opnieuw.

Iedereen is betrokken.

Niemand is het eindpunt.

Behalve dat de wet dat eindpunt in 1993 al had aangewezen.

De Gouverneur.

En dan is er nog zijn andere gezicht

Juist hier krijgt de bijzondere positie van de Gouverneur een ongemakkelijke dimensie.

De Gouverneur is niet alleen landsorgaan.

Hij is tevens Koninkrijksorgaan en vertegenwoordiger van de Koning. Jacobs omschrijft die dubbele positie, in navolging van de literatuur, treffend als een “januskop”: één gezicht naar het land, één naar Den Haag.

Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn.

Het wordt een probleem wanneer precies die dubbelrol ertoe bijdraagt dat verantwoordelijkheid verdampt.

De LBH werd immers juist ontworpen voor een sector die internationaal opereerde via telecommunicatie en waarvan de wetgever vreesde dat misbruik de goede naam van Curaçao en de Nederlandse Antillen internationaal zou beschadigen. Overheidscontrole en reputatiebescherming waren expliciete doelen van de regeling.

De internationale dimensie was dus geen toevallig neveneffect.

Zij zat in het DNA van de wet.

En toch groeide onder dat systeem een online gokindustrie waarin jarenlang juist de grenzen tussen vergunninghouder, sublicentiehouder, trustsector, toezichthouder en buitenlandse exploitant buitengewoon diffuus waren.

Dat is de institutionele paradox:

het orgaan dat mede symbool staat voor de integriteit en constitutionele continuïteit van het Koninkrijk stond juridisch bovenaan een vergunningstelsel dat juist op transparantie, kenbaarheid en effectieve publieke controle uitzonderlijk zwak is gebleken.

Een cultuur van straffeloosheid begint waar niemand eigenaar is van de fout

Een cultuur van straffeloosheid ontstaat niet alleen doordat strafbare feiten niet worden vervolgd.

Zij ontstaat eerder.

Zij begint zodra verantwoordelijkheid structureel kan worden doorgeschoven.

De minister verwijst naar de GCB.

De GCB handelt namens de minister.

De minister handelt namens de Gouverneur.

De Gouverneur zegt dat de minister politiek verantwoordelijk is.

De rechter zegt dat met Gouverneur eigenlijk regering moet worden gelezen.

En de journalist die vervolgens de oorspronkelijke besluiten wil zien, krijgt geen besluit, geen dossier of geen bestuursorgaan dat zich verantwoordelijk acht.

Het LOB/EVRM-dossier benoemt precies waarom dat rechtsstatelijk zwaar weegt: zonder de authentieke vergunningbesluiten kan niet worden gecontroleerd of vergunningen rechtsgeldig bestonden, vervielen of geldig zijn verlengd.

Het gaat dus niet om nieuwsgierigheid.

Het gaat om het kunnen controleren van de rechtsgrond van een internationale miljarden industrie.

En juist bij journalistiek onderzoek naar informatie van groot publiek belang kan toegang tot overheidsinformatie onder artikel 10 EVRM onderdeel zijn van de watchdogfunctie van de pers.

Het toezichtsklimaat dat iedereen aantrekkelijk vindt — behalve degene die bescherming nodig heeft

Curaçao heeft jarenlang geprofiteerd van iets wat in zakelijke taal graag een gunstig investeringsklimaat wordt genoemd.

Lage toetredingsdrempels.

Flexibele structuren.

Internationale bereikbaarheid.

Beperkte frictie.

Weinig bureaucratie.

Voor ondernemingen klinkt dat aantrekkelijk.

Maar hetzelfde systeem kan vanuit het perspectief van toezicht exact tegenovergesteld worden omschreven:

een te gunstig investerings en toezichtsklimaat.

Waar de zakelijke frictie te laag wordt, kan ook de publieke controle verdwijnen.

Waar bevoegdheden via mandaat, ondermandaat, private uitvoering en institutionele interpretatie steeds verder van hun wettelijke oorsprong raken, wordt uiteindelijk niet alleen ondernemen gemakkelijk.

Ook verantwoordelijkheid wordt gemakkelijk.

Gemakkelijk te verspreiden.

Gemakkelijk te verdunnen.

En uiteindelijk gemakkelijk te ontlopen.

De rechterlijke bescherming van de constructie

Het meest opmerkelijke is daarom niet dat bestuurders deze constructie verdedigen.

Besturen verdedigen hun eigen praktijk wel vaker.

Opmerkelijker is dat de rechtspraak uiteindelijk precies de rechtsopvatting heeft aanvaard die de spanning oplost ten gunste van het institutionele systeem:

waar de wet Gouverneur zegt, wordt regering gelezen.

Daarmee verdwijnt het probleem niet.

Het wordt juridisch weggekwalificeerd.

Het Hof heeft niet vastgesteld dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever “Gouverneur” schreef maar “regering” bedoelde. Het redeneert vanuit de constitutionele positie van de Gouverneur dat afzonderlijke attributie niet mogelijk kan zijn en acht de bevoegdheid daarom aan de regering geattribueerd.

Dat is belangrijk.

Want daarmee wordt de historische werkelijkheid niet verklaard.

Zij wordt overschreven.

En die werkelijkheid blijft hinderlijk concreet:

DE GOUVERNEUR […] HEEFT BESLOTEN.

En ook de academische wereld volgt opvallend gemakkelijk

Ook in de juridische literatuur verschijnt hetzelfde mechanisme.

Mr Jacobs* begint zijn annotatie “De Gouverneur als bestuursorgaan in de zin van de Lar? Noot bij GEA Curaçao 15 januari 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:8 met de bespreking van artikel 1 LBH als:

“de Gouverneur (lees: regering)”**.

Twee woorden tussen haakjes.

Maar die twee woorden verrichten bijna al het werk.

Want zodra “Gouverneur” vooraf al wordt vertaald als “regering”, hoeft niet meer te worden onderzocht waarom de LBH driemaal expliciet de Gouverneur noemt, waarom de Raad van Advies juist vroeg welk orgaan bevoegd was, waarom de eerste vergunningen door de Gouverneur werden genomen en waarom in 2019 nog altijd mandaat werd verleend om namens de Gouverneur te handelen.

Dat betekent niet dat iedere jurist die deze rechtsopvatting verdedigt iemand “de hand boven het hoofd houdt” in persoonlijke of bewuste zin.

Dat zou te gemakkelijk zijn.

Het ernstiger probleem is institutioneel:

een juridische doctrine kan dezelfde beschermende werking hebben zonder dat één deelnemer hoeft af te spreken iemand te beschermen.

Als bestuur, rechtspraak en juridische doctrine allemaal dezelfde fictie reproduceren, wordt institutionele verantwoordelijkheid steeds moeilijker zichtbaar.

Dat is precies waarom institutionele corruptie gevaarlijker kan zijn dan individuele corruptie.

Zij heeft geen samenzwering nodig.

Alleen een systeem waarin iedereen de volgende schakel aanwijst.

De nieuwe uitspraak maakt de cirkel rond

En dan verschijnt op 10 september 2026 opeens een twee jaar oud vonnis CUR202403327 over Cyberluck op Rechtspraak.nl.

Daarin staat zonder omhaal wie de GCB juridisch vertegenwoordigt:

“als gemandateerde van de minister van Financiën optredende als gemandateerde van de Gouverneur.”

Dat ene zinnetje legt de hele architectuur bloot.

De GCB stond niet los van de Gouverneur.

De minister stond niet los van de Gouverneur.

Zij handelden in een mandaatketen die bij de Gouverneur uitkwam.

Daarmee wordt de vraag niet ingewikkelder.

Juist eenvoudiger.

Wie stond juridisch bovenaan?

De Gouverneur.

Wie moest daarom kunnen uitleggen op welke besluiten het stelsel rustte?

De Gouverneur.

Wie moest ten minste kunnen aangeven waar authentieke besluiten en scans konden worden gecontroleerd?

De Gouverneur.

En welk instituut kan dus niet overtuigend tegelijkertijd volhouden dat anderen namens hem handelen, terwijl hijzelf voor effectieve publieke controle uit beeld verdwijnt?

Opnieuw:

de Gouverneur.

Niet de enige actor. Wel het institutionele anker.

Dat betekent niet dat de Gouverneur persoonlijk verantwoordelijk is voor iedere illegale goksite, iedere falende toezichthouder of ieder besluit van een minister.

Zo simpel werkt staatsrecht niet.

Ministers dragen politieke verantwoordelijkheid. Toezichthouders hebben eigen taken. Mandaathouders zijn verantwoordelijk voor hun handelen binnen hun bevoegdheden.

Maar dat is ook niet de kwestie.

De kwestie is veel preciezer:

voor de wettelijke LBH-bevoegdheidsketen bestaat één institutioneel anker.

De wet wees het aan.

De vergunningen noemden het.

De uitvoeringspraktijk bevestigde het.

De mandaten verwezen ernaar.

En zelfs het Cyberluck-vonnis tekent de lijn nog één keer uit.

Dat anker is de Gouverneur.

Dertig jaar bestuurlijke lagen hebben dat misschien onzichtbaar gemaakt.

Maar het is niet uit de wet gewist.

Slot

Misschien is dat uiteindelijk de eenvoudigste samenvatting van het Curaçaose online gokdossier.

Een sector kon wereldwijd groeien doordat verantwoordelijkheid voortdurend horizontaal werd verspreid.

Maar de wet liep verticaal.

En bovenaan die verticale lijn stond steeds dezelfde naam.

DE GOUVERNEUR.

De werkelijke rechtsstatelijke vraag is daarom niet langer wie men nog kan aanwijzen om de verantwoordelijkheid over te nemen.

De vraag is waarom een instituut waaraan de wet de bevoegdheid gaf, namens wie ministers en toezichthouders later handelden en waarin de constitutionele vertegenwoordiging van het Koninkrijk samenkomt, zo lang buiten effectieve controle kon blijven.

Als bestuur vervolgens de verantwoordelijkheid verspreidt, rechtspraak de oorspronkelijke bevoegdheidsdrager juridisch vervangt en de academische doctrine die vervanging als uitgangspunt overneemt, ontstaat iets dat ernstiger is dan één fout besluit.

Dan raakt de verantwoordingsstructuur zelf gecorrumpeerd.

En dat is precies het soort institutionele corruptie waarvan een te gunstig toezicht- en investeringsklimaat kan leven.

Niet omdat niemand verantwoordelijk is.

Maar omdat iedereen jarenlang heeft geleerd te zeggen dat de verantwoordelijkheid ergens anders ligt.

JURIDISCH KADER (LBH en LOK)

Hieronder volgt een strak juridisch kader met een duiding per fase.

I. Juridisch ijkpunten (kort en scherp)

1. Exclusieve bevoegdheid in de LBH

De Landsverordening buitengaatse hazardspelen (PB 1993, no. 63) wijst:

  • expliciet en exclusief de Gouverneur aan als bevoegd gezag voor:
    • verlening,
    • wijziging,
    • verlenging,
    • schorsing en
    • intrekking
      van vergunningen.

Dit is primaire attributie bij landsverordening.

Gevolg:
Elke overdracht, mandaat of ondermandaat is alleen geldig indien:

  1. uitdrukkelijk wettelijk toegestaan, en
  2. strikt conform de regels van mandaatrecht, én
  3. rechtsgeldig bekendgemaakt.

2. Mandaat ≠ attributie ≠ delegatie

  • Mandaat: uitoefening namens het bevoegde orgaan (verantwoordelijkheid blijft bij de Gouverneur).
  • Delegatie: overdracht van bevoegdheid (vereist uitdrukkelijke wettelijke grondslag).
  • Attributie: oorspronkelijke toekenning (alleen bij wet).

De LBH bevat géén delegatiegrondslag.
Dus: hoogstens mandaat, en dan nog zeer beperkt en strikt.

3. Publicatievereiste (cruciaal)

Voor besluiten met externe werking geldt in Curaçaos bestuursrecht:

  • Bekendmaking in een officiële publicatiebron (Publicatieblad / Landscourant),
  • óf individuele bekendmaking aan belanghebbenden,
  • óf een uitdrukkelijk wettelijk aangewezen alternatieve publicatievorm.

Niet-gepubliceerde mandaten/besluiten hebben géén externe rechtswerking
Interne bekendheid ≠ juridische geldigheid jegens derden.

II. Duiding per fase (op hoofdlijnen)

A. 1995–2008: Gouverneur + Justitie (klassiek model)

  • Bevoegdheid conform LBH bij Gouverneur.
  • Justitie organisatorisch betrokken (zie Beschikking 8 feb 2000: “buitengaatse hazardspelen” expliciet genoemd)
  • Geen probleem, mits Gouverneur daadwerkelijk besliste.

 Juridisch schoon, voor zover besluiten traceerbaar zijn.

B. 2008: Landsbesluit 9 juli 2008 (BTP-toezicht)

  • Gaat over toezicht, niet over vergunningverlening.
  • Vergunningbevoegdheid blijft bij Gouverneur.

Geen bevoegdheidsprobleem, maar ook geen basis voor latere vergunningverlening door derden.

C. 2019: Overdrachtsbesluit 16 juli 2019 (no. 19-1376)

  • Poging tot verlegging ministeriële verantwoordelijkheid.
  • Steunt op WJZ-advies 2018/0539, dat niet is geopenbaard.
  • Dit besluit is later ingetrokken.

Kernprobleem:

  • Beleidsverantwoordelijkheid ≠ vergunningbevoegdheid.
  • Gouverneur blijft grondwettelijk en wettelijk verankerd exclusief bestuursorgaan.

Dit besluit is juridisch uiterst fragiel en in feite zonder solide basis.

D. 23 december 2019: nieuw Landsbesluit (no. 19-2434)

Hier wordt het echt spannend.

Wat dit besluit doet:

  • Minister van Financiën krijgt mandaat om namens de Gouverneur LBH-bevoegdheden uit te oefenen.
  • Onder-mandaat wordt toegestaan.

Maar:

  1. Mandaat betreft zeer kernachtige bevoegdheden (vergunningverlening).
  2. LBH bevat geen expliciete mandaatsbepaling.
  3. Mandaatslandsbesluit wordt niet gepubliceerd – en ook de onderliggende ratio (WJZ-advies 28 januari 2018 (WJZ 2018/0539) ) is geheim gebleven, ondermandaat wordt wel gepubliceerd in de Landscourant;

Hier ontstaat een ernstig legaliteits- en kenbaarheidsdeficit
Minimaal: zwaar zorgplicht- en transparantieprobleem
Maximaal: overschrijding van mandaatsgrenzen

E. 2020–2023: ministeriële beschikkingen & GCB

  • Ondermandaat aan Directeur GCB.
  • GCB verleent, wijzigt, verlengt en trekt vergunningen in.
  • Een deel wél, een deel niet gepubliceerd.

Structurele problemen:

  1. Cascademandaat (Gouverneur → Minister → GCB → personeel).
  2. Geen expliciete wettelijke basis voor zulke vergaande uitbesteding.
  3. Geen consequente officiële publicatie (alleen op Random Consulting website).

Hier ontstaat een structureel legaliteits- en kenbaarheidsdeficit.

F. 2023–2025: LOK + overgangsrecht + portefeuilleverdeling

  • LOK erkent LBH-vergunningen via overgangsrecht.
  • Maar overgangsrecht heelt geen oorspronkelijke onbevoegdheid.
  • Portefeuilleverdeling zegt niets over vergunningbevoegdheid.

Overgangsrecht ≠ legalisatie van gebrekkige besluiten.

III. Kernproblemen (samengevat)

  1. Bevoegdheidsprobleem
    • LBH attribueert exclusief aan Gouverneur.
    • Mandaatconstructie is opgerekt tot quasi-delegatie.
  2. Publicatieprobleem
    • Groot deel mandaten/besluiten nooit officieel gepubliceerd.
    • Daarmee niet tegenwerpelijk aan derden.
  3. Transparantieprobleem
    • Cruciaal WJZ-advies geheim gehouden.
    • In strijd met:
      • LOB,
      • art. 6 en 10 EVRM,
      • fair trial & equality of arms.
  4. Rechtszekerheidsprobleem
    • Burgers, journalisten, spelers en anderen konden niet vaststellen:
      • wie bevoegd was,
      • welke vergunningen bestonden,
      • op basis waarvan.

Stay tuned for more.

* mr P.J.D. Jacobs is docent en promovendus aan de University of Curaçao, dependance Bonaire. Hij verricht onderzoek naar de inkleuring van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op de Caribische eilanden.

** Details onlinekansspel annotaties over de bevoegdheden van de Gouverneur:

  • voor Jacobs’ annotatie “De Gouverneur als bestuursorgaan in de zin van de Lar? Noot bij GEA Curaçao 15 januari 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:8, klik hier
  • voor ondergetekende’s reactie op de annotatie “Onlinegokvergunningen: wie was en is eigenlijk bevoegd? De Gouverneur, de LBH, de LOK en de grenzen van ‘lees: regering’”, klik hier.

Nardy Cramm is hoofdredacteur van Knipselkrant Curacao, tevens blogger en auteur van blogseries ‘KKC blog | Machtsstrijd Curaçao ontbrandt en VDC blog | De lotgevallen van Veiligheidsdienst Curacao (VDC). De Koninkrijksbelangen blogs is haar nieuwste reeks. Reacties worden op prijs gesteld en tips en informatie worden discreet behandeld. Meer over de auteur vindt u hier.